Home > De Workshops > Klimaat en Energie > Besproken maatregelen

Workshop Klimaat en Energie

Deze workshop zal rond zeven maatregelengroepen werken. Hieronder vindt u een overzicht van deze groepen, met telkens een bondige inleiding tot het onderwerp.

  1. De ontwikkeling van off-shore windparken
  2. Groene certificaten 
  3. Steuninstrumenten en stimuli
  4. Het systeem van de derde investeerder 
  5. Valorisatie van de biomassa
  6. Visie "na 2012"
  7. Voorbeeldrol van de overheden en andere stakeholders

 

Maatregelengroep 1 : De ontwikkeling van offshore windmolenparken

De eerste maatregelengroep zal zich concreet buigen over de voorwaarden voor de ontwikkeling van offshore windmolenparken.

Naar aanleiding van het Energie-Klimaatpakket dat de Europese Commissie onlangs voorstelde en van doelstelling 20-20-20 (20 % vermindering CO2, 20 % verbetering van de energetische doeltreffendheid, 20 % hernieuwbare energie in de eindvraag) die tegen 2020 moet worden behaald, zal België op voorstel van de EU de doelstelling van 13 % hernieuwbare energie moet behalen.

Omdat de mogelijkheden om windkracht op het land te ontwikkelen beperkt zijn, zowel in het Vlaams als in het Waals Gewest (+/- 1000 MW elk), biedt het Belgische Continentaal Plat (onder federale bevoegdheid) een belangrijke mogelijkheid om offshore windmolenparken te vestigen.

De verwachte ontwikkeling van offshore windenergie zal een belangrijke rol spelen in de globale ontwikkeling van hernieuwbare energie in België (een offshore windmolenpark van 300MW dekt ongeveer 1 % van de Belgische eindbehoefte aan elektriciteit). Als er tegen 2020 2000 MW op de Noordzee wordt geïnstalleerd, zou die ongeveer 6 TWh/jaar produceren of +/- 10% van de hele ‘hernieuwbare’ doelstelling tegen 2020.

Maatregelengroep 1 zal de volgende pistes analyseren:

1. de financiële ondersteuning voor het ontwikkelen van windenergie:

  • door te garanderen dat ELIA een gewaarborgde minimumprijs betaalt
  • door een premie te geven van € 25.000.000, toegestaan door ELIA, voor aansluiting op het net
  • door het systeem van groene certificaten uit te breiden naar offshore windenergi

2. de vestigingszone vergroten:

  • door ze uit te breiden,
  • door ze maximaal te benutten (wat is het optimale vermogen van windenergie als men rekening houdt met de technologische evolutie, de gevolgen voor de geïnstalleerde capaciteit per km², de dichtheid van windmolens per km² (potentieel van de zone)),
  • door de toekomstige vestigingszone in overweging te nemen in termen van samenwerking

3. de voorwaarden en toekenningsprocedures voor concessies en vergunningen aanpassen

4. de voorwaarden voor aansluiting op het landnet verbeteren en de kosten verlagen

5. de sociaaleconomische impact van offshore windenergieontwikkeling in België analyseren. Die ontwikkeling zal gevolgen met zich meebrengen qua investeringen, industriële en commerciële mogelijkheden, onderaanneming, uitvoer, technologische ontwikkeling, expertise en knowhow, en zal uiteraard ook gevolgen hebben voor de werkgelegenheid (rechtstreekse en onrechtstreekse), en voor de elektriciteitsfactuur …

De workshop zal de aanwezigheid benutten van de belangrijkste betrokken actoren rond de tafel om die sociaaleconomische impact te behandelen en om de verwachtingen en de cijfers te beoordelen die projectpromotoren en andere deelnemers uit het maatschappelijk middenveld naar voren brengen.

Maatregelengroep 2 : Groene certificaten

Het systeem van de groene certificaten is een mechanisme dat de elektriciteitsproductie op basis van hernieuwbare bronnen en warmtekrachtkoppeling ondersteunt.

Het berust theoretisch op de drie volgende fundamentele principes:

  • toekenning van een groen certificaat per geproduceerde eenheid groene elektriciteit;
  • de verplichting die men leveranciers oplegt om jaarlijks een minimum quota groene certificaten te kopen dat berekend wordt op basis van hun totale elektriciteitsverkoop;
  • een geldboete voor leveranciers als ze de quota’s niet naleven;

Met de mogelijkheid die men de leveranciers laat om groene certificaten te kopen of te verkopen, leidt dat tot de creatie van een markt die groene certificaten een waarde verleent en op die manier groene elektriciteitsproducenten ondersteunt.

Het groene certificatenmechanisme, zoals dat in België wordt opgevat, verschilt van het feed-in tariff model waar men bijvoorbeeld in Duitsland en Nederland de voorkeur aan geeft en dat berust op rechtstreekse steun via een gewaarborgde prijs per eenheid groene elektriciteit, al naargelang de technologie waarmee die wordt geproduceerd. Het Belgische model vertoont echter ook enkele overeenkomsten met het feed-in tariff, hoewel men het toch beter een hybride systeem zou noemen.

De actoren op het terrein (groene producenten, leveranciers) vragen om een wederzijds systeem voor erkenningen te installeren tussen de Gewesten. Dat kan ertoe bijdragen dat de spanningen verminderen die voortkomen uit eventuele onevenwichtigheden op de markt van groene certificaten van een Gewest.

Volgens sommige actoren op het terrein zouden ze met een dergelijk systeem:

  • een grotere markt kunnen bereiken (die dus vlottender en concurrerender wordt).
  • hun portefeuille met groene certificaten efficiënter kunnen beheren, en dat voor zover ze in verschillende gewesten actief (zullen) zijn.

Tegelijk met de erkenning van de verschillende gewestelijke groene certificaten zou men offshore certificaten op de markt moeten toelaten. Omdat alleen de Gewesten over een markt voor groene certificaten beschikken, kan dat alleen gebeuren als de offshore certificaten in de verschillende Gewesten worden erkend, wat nu niet het geval is.

Ten slotte zal maatregelengroep 2 rond de evaluatie van ondersteuningsystemen voor de productie van groene energie werken.

Maatregelengroep 3 : Steuninstrumenten en stimuli (niet alleen energie)

Maatregelengroep 3 behandelt de fiscaliteit. In het licht van de nieuwe doelstellingen tegen 2020 zal België zijn ondersteuningsystemen moeten onderzoeken, en het beleid en de maatregelen moeten bestuderen waarmee het de productie van groene energie kan ontwikkelen, met naleving van de sociaaleconomische en milieudoelstellingen van de federale en gewestelijke overheden.

De discussies zullen in dit opzicht eveneens gaan over de mogelijkheid om groene certificaten tegen duurzaamheidscriteria te verlenen (bv: implicatie op de biodiversiteit) en de voordelen die ze voor het klimaat qua CO2-balans bieden.

Er zijn diverse instrumenten nodig om een duurzaam ontwikkelingsbeleid vorm te geven: regelgevende, maatschappelijke, vrijwillige, en economische, waaronder fiscaliteit. Door de fiscaliteit op ongewenst gedrag te verhogen, of door duurzame keuzes fiscaal te belonen, kan men consumenten en producenten ertoe aanzetten om hun gedrag om te buigen in de richting van meer duurzaam verbruik en productie.

Groene fiscaliteit past in het programma van de nieuwe federale regering. De snelle stijging van de olieprijzen tussen 2005 en 2007 (20 eurocent meer voor benzine, diesel en stookolie) woog echter sterk door op de koopkracht van de gezinnen.

Het is dus van primordiaal belang om concrete maatregelen voor te stellen die ecologisch verantwoord gedrag aanmoedigen en die tegelijk maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Dit moet verder met de deelnemers worden uitgewerkt.

Maatregelengroep 4 : Systeem van de derde investeerder

Maatregelengroep 4 behandelt het mechanisme van de Derde Investeerder dat toegepast wordt op energiebesparende maatregelen. Het bestaat uit de prefinanciering – door een derde partij (de derde investeerder) – van energiebesparende investeringen (studies, diensten en werken) die door één of meerdere verstrekkers worden geleverd.

Deze investeringen worden, meestal gespreid over enkele jaren, door de cliënt terugbetaald met de financiële middelen die vrijkomen door de daling van zijn energiefactuur. Dit mechanisme kan worden toegepast op gebouwen, industrieterreinen of huizen.

Via dit mechanisme kan de cliënt investeringen doen zonder zelf te moeten investeren en zonder zijn jaarlijkse uitgaven te verhogen.

De cliënt kan huurder zijn of eigenaar, maar hij is in elk geval degene die de energiefactuur betaalt omdat hij, dankzij de verlaging van het verbruik, de liquide middelen genereert om de derde investeerder terug te betalen. Als hij huurder is, moet de (resterende) huurtermijn minstens de duur van de opbrengst van de investering overschrijden, tenzij het gerecupereerd kan worden of als hij de investering gedeeltelijk met de eigenaar kan delen.

Er bestaan twee modellen:

  1. een externe Derde Investeerder die de investeringen die een/meerdere andere verstrekker(s) uitvoerde(n) prefinanciert
  2. een verstrekker die zelf als Derde Investeerder handelt

Maatregelengroep 5 : Valorisatie van de biomassa

Maatregelengroep 5 behandelt de biobrandstoffen (tegelijk maatregelengroep 7 in de workshop biodiversiteit raadplegen). Biobrandstoffen, voor de ene een mirakeloplossing voor het milieu, voor anderen een ecologische illusie, draaien om zeer complexe kwesties. Het feit dat ‘agrobrandstoffen’ nu in het middelpunt van de belangstelling staan, heeft te maken met de strijd tegen de klimaatverandering en met de stijging van de olieprijzen.

Een van de belangrijke elementen om de doelstellingen in verband met het verlagen van de uitstoot te behalen is de transportsector bewerken. Deze is verantwoordelijk voor meer dan 21 % van de totale uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie en is in volle expansie. De prioriteit moet uitgaan naar de optimalisering van de mobiliteit en de technologische vooruitgang van voertuigen, maar ook biobrandstoffen kunnen in deze problematische sector vermoedelijk een rol spelen.

Biobrandstoffen stoten bij verbranding geen broeikasgassen uit omdat de CO2 afkomstig van hun verbranding opnieuw wordt opgevangen door de biomassa die voor hun fabricatie wordt geproduceerd. Als men rekening houdt met de hele levenscyclus van biobrandstoffen varieert hun CO²-balans naargelang het soort grondstoffen, hun herkomst en de transformatieprocessen.

Ondanks deze argumenten ontbreekt het nog aan enthousiasme. Een statusrapport uit 2007 over biobrandstoffen toont aan dat biobrandstoffen in 2005 slecht 1 % van het totale brandstofverbruik uitmaakten.

Zelfs als dit cijfer aantoont dat er goede vooruitgang wordt geboekt (een verdubbeling op twee jaar) lijkt de doelstelling van 5,75 % tegen 2010 steeds minder haalbaar. Alleen Zweden en Duitsland haalden in 2005 de doelstelling van 2 %.

België kan biobrandstoffen op twee manieren promoten.

  1. De eerste moedigt brandstofmengelingen met een hoog biobrandstofgehalte aan. Deze brandstoffen worden vrijgesteld van accijnzen als ze op basis van pure koolzaadolie zijn. Alle andere mengelingen zijn (nog) niet vrijgesteld.
  2. De tweede moedigt de productie van biobrandstoffen aan. De productie, die vastligt voor 6 jaar, zou België tegen 2010 in de richting van de doelstelling van 5,75 % moeten leiden.

De biomassa die in deze productie-eenheden wordt gebruikt, beantwoordt aan een lastenboek dat met name de volgende criteria bevat:

  • milieucriteria (de best mogelijke balans voor broeikasgassen, hoogste energetische doeltreffendheid in de hele keten),
  • agronomische criteria (zo weinig mogelijk pesticiden en meststoffen),
  • nabijheid (de kortste afstand tussen de productieplaats van biomassa en de productie-eenheid), enz.

Buiten deze twee aanmoedigingssystemen is er niets wat een producent belet om biobrandstof op de markt te brengen (met naleving van de minimale kwaliteitsnormen voor brandstoffen). Deze brandstof zal beschikbaar zijn aan de pomp maar geniet niet van de accijnsverlaging.

Tot op heden is er in België geen accijnsvrije bio-ethanol aan de pomp verkrijgbaar. De productie-eenheden zijn nog in aanbouw en de eerste liters zouden eind 2008 moeten verschijnen. De eerste liters biodiesel werden in 2006 bijgemengd, in totaal 1.150 m³ koolzaad methylester. In 2007 was dat 117.000 m³, hetzij 1% biobrandstof (op basis van het energetisch gehalte) op de totale verkoop van fossiele brandstoffen. België voorziet dat het in 2009 de 5,75 % zal halen, zodra alle productie-eenheden klaar en volledig operationeel zijn.

De productie van biobrandstoffen krijgt echter dikwijls kritiek. Omdat ze landbouw- of bosgrond gebruikt, concurreert ze met de teelt van voedingsgewassen en bosbouw, vooral in het Zuiden. Deze druk kan bijdragen aan verstoringen op de markten en aan de verhoging van de prijzen van levensmiddelen.

De buitensporige ontwikkeling van teelten voor biobrandstoffen kan eveneens een ernstige bedreiging voor de biodiversiteit vormen, wegens de verschraling van de rassen die op grote schaal worden geteeld en het verlies aan habitats dat voortvloeit uit ontbossing.

Energetische producten zoals steenkool, bruinkool, turf, briketten van papier en karton zullen niet worden ondersteund door het leefmilieubeleid. De markt van deze energetische producten wordt gekenmerkt door verlaagde prijzen. In het licht van de derde olieschok is het een uitdaging om mensen met een laag inkomen de mogelijkheid te geven om zich verwarmingstoestellen op hernieuwbare energie aan te schaffen (zonne-energie, geothermische warmte, windkracht, enz). De markt voor vaste en fossiele brandstoffen zal dus steeds onbelangrijker worden.

Er worden vier maatregelen voorgesteld:

  1. ervoor zorgen dat het grote publiek op een georganiseerde manier alle informatie krijgt over biobrandstoffen die in het Belgische distributiecircuit komen;
  2. een nationaal waarnemingscentrum voor biomassa oprichten;
  3. een proefinstallatie voor biobrandstoffen van de 2de generatie opstarten. Deze wegen minder door op de beschikbare landbouw- of bosgrond.
  4. normen opstellen voor biomassa als brandstof zodat er op korte termijn ketens tot stand kunnen komen die het gewestelijke beleid ondersteunen

Voor meer inlichtingen, zie www.health.fgov.be en typ « biobrandstoffen» in het zoekvenster. U zal er ook een reeks Frequently Asked Questions over dit onderwerp vinden.

Maatregelengroep 6 : Visie na 2012

De opwarming van het klimaatsysteem wordt door verschillende waarnemingen bevestigd. Tussen 1905 en 2006 steeg de gemiddelde globale temperatuur met 0,74°C. De 12 warmste jaren ooit (sinds 1850) werden de laatste 15 jaar opgetekend. De zeespiegel steeg sinds 1961 met gemiddeld 1,8 mm/jaar; dit cijfer steeg nog verder op het einde van de periode (3,1 mm/jaar tussen 1993 en 2003). De gletsjers op bergen en de sneeuwlaag trekken zich globaal gezien terug (in de twee halfronden) (IPCC 2007). Naast de klimaatcrisis is er het aangekondigde einde van de olie- en gasreserves, en een groeiende vraag naar fossiele energie. Fossiele energie zal nooit meer ‘goedkoop’ worden.

De acties die de industrielanden ondernamen om hun verplichtingen inzake het Kyoto Protocol voor de periode van 2008-2012 na te komen, zijn een eerste stap op het gebied van klimaatbescherming. Het Protocol voorziet dat er met ingang van 2005 formeel internationale discussies plaatsvinden om de globale uitstoot na 2012 te verlagen. De echte discussies over wat er na 2012 moet gebeuren, werden eind 2007 aangevat en moeten eind 2009 tot een akkoord leiden (Bali roadmap).

Tijdens de Europese Raad in maart 2007 bereikte de EU een akkoord over de doelstellingen van haar klimaat/energiebeleid voor 2020 en 2050. Met de publicatie van het Europese Energie-Klimaatpakket op 23 januari 2008, dat in de Europese strategie kadert om de temperatuur niet meer dan +2°C ten opzichte van de pre-industriële waarde te laten stijgen, werden deze doelstellingen omgezet in concrete en bindende inspanningen van de Europese Commissie en de lidstaten.

Op Belgisch niveau zullen er in 2008 belangrijke beslissingen moeten worden genomen over de verdeling van de doestellingen die op Europees niveau werden vastgelegd en hun uitvoering op de volgende gebieden:

  • verlaging van de uitstoot van broeikasgassen
  • verbetering van de energetische doeltreffendheid
  • energieproductie uit hernieuwbare bronnen
     

Het gaat er eveneens om dat men een visie op langere termijn (2050) uitwerkt voor een gecoördineerd nationaal klimaatbeleid dat mildering van, en aanpassing aan de klimaatveranderingen omvat. Een strategische langetermijnvisie aannemen is een ambitieuze doelstelling; ze moet bij voorkeur nationaal worden gestuurd en er moet, via deelname, minstens drie jaar aan worden gewerkt.

Maatregelengroep 7 : Voorbeeldrol van de overheden en andere stakeholders

De geloofwaardigheid van de beslissingen die overheden nemen, vooronderstelt dat zij de impact van hun beslissingsprocessen, hun operaties en hun logistieke werking (aankoop van goederen en diensten) evalueren.

Dit onderwerp is om twee redenen belangrijk. Enerzijds kan de impact op het milieu van de operaties van overheden en de invloed die nationale, gewestelijke en lokale besturen uitoefenen op de milieuprestaties van hun grondgebied consequent zijn. Anderzijds hoort een modern, doeltreffend en kwaliteitsvol overheidsbestuur (federaal, gewestelijk, lokaal, …) niet alleen de dienstverlening aan de burger te verbeteren maar moet het, net zoals de meeste andere maatschappelijke actoren, aantonen dat het zijn maatschappelijke en milieuprestaties verbetert. Dat komt voort uit de voorbeeldrol die overheden spelen en uit de geloofwaardigheid van hun beslissingen in verband met duurzame ontwikkeling.

Om deze strategische doelstellingen te behalen, beschikken de overheidsbesturen over drie hefbomen: het milieubeheer van hun activiteiten, hun aankoopbeleid en de wetgeving die aanbestedingen voor de aankoop van goederen en diensten of werken regelt.

Ondanks de inspanningen waarmee de Belgische overheid reeds instemde om haar milieuprestaties te verbeteren, moeten er nog heel wat inspanningen worden geleverd, met name op het gebied van energie (rationeel energieverbruik, betere energieprestaties van gebouwen, hernieuwbare energie gebruiken, …) en op het gebied van mobiliteit (aankoop van minder vervuilende voertuigen, rationeel beheer en vernieuwing van het voertuigenpark, professionele verplaatsingswijzen, compensatie van de CO2-uitstoot tijdens internationale missies, …).

Daartoe worden drie groepen maatregelen voorgesteld:

  • Verplaatsings- en mobiliteitsbeleid van de openbare sector
  • Openbare gebouwen
  • Koolstofbalansen opstellen van overheidsbesturen